| Hij: Ik wist
wel dat we overeen zouden komen!
Zij: We komen niet overeen.
Ze gaat terug achter de bar staan en begint glazen af te drogen. Hij
komt voor haar staan, doet zijn muts af en legt hem naast de asbak.
Hij: U vergist u. Ik kan u laten dromen. Ik heb drie keer de wereld
rond gereisd. Ik kan u verhalen vertellen over om het even wie, over
om het even welke plaats, over alles. Ik heb de hoogste bergen beklommen,
ik heb verschillende malen de dood in de ogen gekeken terwijl de storm
tegen mijn schip beukte en de wind mijn zeilen verscheurde. Ik heb prinsen
ontmoet, amazones, terroristen en goddelijke creaturen zonder naam.
Ik heb mijn voeten verbrand aan gloeiend zand en de kou heeft aan mijn
tenen gevreten, Ik heb gedanst met de wilden en pompelmoezen gegeten
zo groot als mijn hoofd. Ik heb gedoken tussen vissen in de meest verrassende
kleuren. Wilt u nog steeds niet met mij gaan zwemmen?
Zij: Nee.
Hij: Mag ik in de plaats daarvan een whisky?
Zij: Ik dacht dat u geen dorst had?
Hij: Nu wel.
Ze schenkt twee whisky’s uit. Ze drinken. Elk aan de andere kant
van de bar.
Hij: U sluit wel vroeg hier.
Zij: We zijn hier niet in de stad, Meneer. De mensen hier hebben een
gezin dat op hen wacht en een job die hen genoeg afmat om ’s avonds
zonder problemen in slaap te kunnen vallen, zonder de hulp van schaapjes.
We zien hier niet zo vaak zwervers zoals u, zo laat ’s avonds.
Hij: U zei meneer tegen me?
Zij Ja, waarom? Bent u misschien geen man?
Hij: Dat lijkt me nogal veel respect voor een zwerver zoals ik.
Zij: Het is geen respect. Enkel een kwestie van territoriumafbakening.
Ze drinken.
Hij: Doet u dit al lang?
Zij: Wat?
Hij: Opdienen.
Zij: 17 maanden en 22 dagen. Daarvoor zong ik. In bars en kleine clubs
in de haven. Ik had een pianist en een prachtige rode glitterjurk waar
in het licht van de spots de vonken af sprongen. Elke avond werd ik
voor de deur van mijn kleedkamer opgewacht door een zee van verloren
matrozen. Ik droomde ervan naar Parijs te gaan en in Montmartre te wonen.
Hij: En nu? Zingt u niet meer?
Zij: Enkel in de douche.
Hij: Ik zou u graag horen zingen.
Zij: U komt mijn badkamer niet in.
Hij: Waarom?
Zij: Er zijn leegtes die ruimte geven aan pijn die doornige rozen en
vleesetende planten zaait in de tuin van onze ziel. Uiteindelijk wordt
die ondoordringbaar.
Hij: Ik ben niet bang van het oerwoud, ik ben gewend aan avontuur.
Zij: Kalm, kalm, ik heb het niet over een wandelingetje door een maagdelijk
bos.
Hij: Ah! Er is een man in uw leven.
Zij: Massa’s. Ik ben dol op mannen.
continúa
[1] [2]
[3] [4]
[5]
[6]
[7]
[volver al index]
|