| Zij: Een vrouw?
Hij: Ja.
Zij: Waarom zoek je haar? Ben je haar verloren?
Hij: Ja, in de haven, pier 8, 17 maanden en 22 dagen geleden.
Zij: Mannen dragen nergens zorg voor.
Hij: Vrouwen hebben geen geduld.
Zij: Waarom? Omdat ze er geen in zin in hebben te wachten tot hun zeeman
eindelijk genoeg heeft van de zee, de eenzaamheid en de vrijheid? Wat
kan je trouwens verwachten van een man die over die dingen spreekt alsof
er niets mooiers bestaat op de wereld? In het begin geloof je hem natuurlijk.
Uit onwetendheid misschien. Of omwille de schoonheid van het idee. Waarschijnlijk
uit zwakte... Waarom kom je haar nu zo plots zoeken?
Hij: Ze moet me nog een nacht.
Zij: 17 maanden en 22 dagen, zijn dat niet genoeg nachten?
Hij: 539
Zij: Je hebt nochtans ruim de tijd gehad iemand anders te vinden. Ben
je niet drie keer de wereld rond gezeild? Je moet op je weg toch wel
massa’s vrouwen tegengekomen zijn? Je bent hier nogal ver van
de haven, pier 8.
Hij: 832 km
Hij leunt naar voor, zijn gezicht vlak bij het hare
Hij: Er zijn dingen die niet veranderen.
Zij: Zwijg!
Ze staat bruusk op en gaat terug bij de bar staan.
Zij: Zeg niets! Het interesseert me niet!.
Hij: Ben je bang?
Zij: Ik ben tevreden met het leven dat ik nu leid. Maar het was heel
moeilijk om er te geraken. Ik heb heel veel twijfels, maar ook enkele
zekerheden. En die wil ik niet verliezen voor het plezier van een vermoeide
en eenzame man die, op een eenzame winteravond, niets beter te doen
heeft dan de rust te verstoren van een braaf meisje.
Hij: Tevreden? Om te werken in een groezelig café, tussen de
dronkaards? Om te wonen in een hok waar de badkamer niet eens groot
genoeg is voor twee? Om naar de regen te kijken, in de kou en de duisternis?
Het is hier niet echt het zonnige zuiden!
Ze wendt zich van hem af.
Zij: Het zonnige zuiden heeft mij nooit echt aangetrokken.
Hij: Ik geloof er niets van. Je bent gemaakt voor de zon.
Zij: Het heeft geen zin om me dit allemaal te zeggen. Ik wil geen stap
meer achteruit zetten..
Hij: Je stapt nooit achteruit als je naar de zon loopt.
Zij: Geef mij maar kunstlicht. De rode lampjes van de cabarets, de blauwe
neons van de bars, de gele starre blik van de de auto als ze s’nachts
door de natte slapende stad rijden
Ze kijkt hem opnieuw aan.
Hij: Ik ken een zon die altijd schijnt, zelfs in de winter. Een zon
die zelfs de slachtoffers van de kruistochten uit hun graven kan wekken.
Zij: Wat ben je lelijk als je over oorlog praat.
continúa
[1] [2]
[3]
[4] [5]
[6]
[7]
[volver al index]
|