| “Ik word
duizelig van jou. Enkel van jou”. Geen golf, geen haven, geen
ander lichaam heeft hem ooit het hare doen vergeten.
Zij: Ik geloof het niet.
Hij: Ik zweer het.
Zij: Spuug!
Hij spuugt.
Zij: En de boten dan? De zee? De eenzaamheid? De vrijheid?
Hij: Jij bent mijn boot, mijn eenzaamheid en mijn vrijheid.
Zij: En de vrouwen?
Hij: Jij zult mijn vrouw zijn, ik jouw whisky.
Ze lacht. Ze kust hem en bijt in zijn neus.
Hij: Ai!
Zij: Allez, ga!
Hij: Waarom?
Zij: Ik hou van je.
Hij: Ik ook van jou.
Zij: Je hebt het mij nooit gezegd.
Hij: Ik zeg het je nu.
Zij: Het is niet goed. Deze liefde is te heftig, te brutaal.
Hij: Zing voor mij.
Zij: Wat?
Hij: Een lied dat gaat over de zee, de liefde, de zon en de winter.
Zij: Ah, dat!
Hij: Ja, dat.
Ze zingt.
anterior
[1] [2]
[3] [4]
[5]
[6]
[7]
[volver al index]
© Iisa:: yambria :: paris:: 2005 |